Mindbleep #1


Ik besta, toch? - April 2014

 

Ik besta! Althans, er zit hier iemand achter een pc waar ik gewoonlijk ‘ik’ tegen zeg. Maar hoe weet ik dat ik ook echt besta, waar leid ik dat uit af? Ik denk het te weten door de constante stroom van gedachten en gevoelens die zich in het bewustzijn aftekenen. Zintuiglijke indrukken, voorzien van een naam en betekenis die gebaseerd zijn op herinnering. En die mix van informatie die het brein produceert en waar ik mij bewust van ben, doet de indruk ontstaan dat er ‘iemand’ moet zijn die daarvan de bron is en het middelpunt. Een ‘ik’ dus. Maar die conclusie klopt niet. Descartes zat er naast met zijn “Cogito ergo sum.” Het is eerder andersom. Ik ben dus ik denk, of eigenlijk, ik ben en soms zijn er gedachten, gevoelens, zintuiglijke indrukken.

 

Denken

 

Denken is op zichzelf geen bewijs voor het bestaan van ‘iemand’ die denkt. Er is gewoon denken, net zoals er horen, ruiken, voelen, tasten en, proeven is. We zeggen tenslotte ook niet dat ‘ik’ de eigenaar ben van wat ik zie. Al die indrukken komen en gaan. De mind neemt ons bij de neus door iedere gedachte, gevoel of zintuiglijke indruk razendsnel van een naam, een label en waardering te voorzien. Het is die beweging; het grijpen of wegduwen, het kiezen en oordelen – wat door de Boeddha als de bron van lijden werd gezien – die de illusie geeft van het bestaan van een ‘ik’, ‘iemand’ die een keuze maakt, een oordeel velt, een standpunt inneemt, een actie onderneemt. Zo bezien is ‘ik’ dus feitelijk net zo’n product van de mind als alle andere gedachten…

 

Leegte en Vorm

 

Non-duaal bewustzijn IS. Het is tijdloos, vormloos, heeft geen kenmerken en daarom noemen boeddhisten het vaak empty, ‘Leeg’. Het mysterie van de schepping is nu juist dat uit de Leegte, of beter gezegd, dat die Leegte zich manifesteert in en als de eindeloze stroom van ALLES wat is. De hele schepping is de uitdrukking van Leegte. Die conclusie behoort inmiddels niet langer tot de prietpraat van spirituele ‘space cadets’ onder ons, maar wordt ook bevestigd door niemand minder dan Albert Einstein: “the universe is build of Emptiness, Form is condensed Emptiness.”

 

Uit de Eenheid van het grenzeloze, vormloze en tijdloze non-duale bewustzijn rijst een golf op, neemt vorm aan, drukt zich uit als een gedachte, een gevoel, een boom, of een droom om na korte tijd weer terug te keren tot zijn oervorm, het vormloze Ene bewustzijn wat het altijd was en is. Als mens staan wij precies op de scheidslijn tussen dit tijdloze ongemanifesteerde Bewustzijn en de begrensde wereld van manifestatie die gebonden is aan tijd en plaats en zijn we in staat om beide te overzien.

 

Ego

 

Als pasgeborene maken wij nog deel uit van dit grenzeloze Bewustzijn, maar om in de wereld van vorm te kunnen bestaan moeten wij zelf ook vorm aannemen. De golf van bewustzijn verandert tijdelijk in een punt. De punt van een schijnbaar afgescheiden bestaan als ‘ik’. Zodra ‘ik’ is geboren, is er binnen/buiten, leven/dood, veilig/bedreigend, kortom de wereld van dualiteit waar ‘ik’ zo goed mogelijk een weg in vindt. Het doel van die inspanningen is om weer heel te worden. We noemen dat de zoektocht naar geluk, ‘thuis’ komen, jezelf zijn, etc. Maar hoe kan ‘ik’ thuis komen als ‘ik’ slechts een tijdelijke punt is van bewustzijn, een beweging van de mind, een gedachte zonder werkelijke grond?

 

Wie ben ik?

 

Vraag jezelf “wie ben ik?” hield Sri Ramana Maharshi zijn volgelingen voor. Deze simpele vraag was de kern van zijn onderricht. Vraag jezelf af wie je bent en ga terug van gevolg naar oorzaak tot je niet verder kunt en gedwongen wordt te zeggen: “Ik Ben.” (En zet dan nog een stap verder.)

 

Vraag jezelf die vraag en het stevige omhulsel van ‘ik’, gebouwd van duizenden concepten, wordt transparant zodat het licht van het Ene bewustzijn weer kan gaan schijnen en ons kan raken in ons hart. Daar, in de stilte die vooraf gaat aan alle concepten van jezelf, alle gedachten, gevoelens, oordelen, standpunten, zintuiglijke indrukken, herinneringen, verwachtingen, etc. vind je het antwoord op de vraag: “Ik besta, toch?”

 

Alexander